Criminele geldstromen worden steeds lastiger te volgen door de complexiteit van de betaalmarkt, mede door de introductie van de Europese Payment Services Directive (PSD) en de toetreding van fintech bedrijven. Het FEC-project Payment Service Providers (PSP’s), liep van 2021 tot 2023, richtte zich op het in kaart brengen van de kwetsbaarheden van PSP’s voor witwassen en het verbeteren van de mogelijkheden voor opsporingsdiensten om criminele geldstromen te volgen.
We blikken terug op dit FEC-project[1] met projectleider Jaap Piersma (politie, eenheid Landelijke Expertise en Operaties - team NXT financieel opsporen) en Erik Reissenweber (FIOD - AMLC), die beiden nauw betrokken waren bij de uitvoering van het project.
Kunnen jullie nog even kort uitleggen wat de aanleiding van het PSP-project was?
Jaap Piersma: "Opsporingsambtenaren maken in toenemende mate melding van het probleem dat criminele geldstromen steeds lastiger te volgen zijn, met name in situaties waarbij de opsporingsambtenaar inzage heeft in de bankrekening van een slachtoffer van fraude of oplichting, of beschikt over transactiegegevens van een fraudeur. Tot een jaar of tien geleden werd uit die bankafschriften doorgaans snel duidelijk wie er bij transacties betrokken waren en kon een opsporingsambtenaar redelijk snel verder met een onderzoek. Dat is, mede door de introductie van de Payment Services Directive (PSD, Europese wetgeving die het aanbieden van betaaldiensten reguleert) en de toetreding van fintech bedrijven tot de betaalmarkt, veel complexer geworden. Van sommige transacties op bankafschriften kan niet meer eenvoudig worden vastgesteld wat de herkomst of bestemming van gelden is, zeker als daar internationale betaaldienstverleners (PSP’s) bij betrokken zijn. Indien de betrokken opsporingsambtenaar wil vaststellen naar wie het verkregen geld is gegaan of beslag wil leggen op het saldo, dan wordt de opsporing belemmerd doordat wet- en regelgeving vereist dat er internationale rechtshulpverzoeken en vorderingen gedaan worden. Dit is een tijdrovende klus die niet altijd het gewenste resultaat oplevert voor de opsporing."
Kunnen jullie een voorbeeld geven van wat jullie tegenkwamen ?
Erik Reissenweber: "Een goed voorbeeld van iets wat wij tegenkwamen in de praktijk was een crimineel die toegang had gekregen tot een computer van een slachtoffer. Middels deze toegang kon de crimineel vervolgens zijn beltegoed opwaarderen op kosten van het slachtoffer. Op de bankrekening van het slachtoffer zagen wij louter enkele verdachte betalingen naar een rekening van een PSP in het buitenland. Na een rechtshulpverzoek en een vordering ontvingen wij transactiegegevens van deze PSP, maar tot onze spijt bleken daaruit alleen uitbetalingen naar een PayPal-rekening in Singapore. Uit de rekeninginformatie bleek niet dat het om opwaarderingen van beltegoed ging; er stond namelijk geen enkele specificatie bij, alleen een bedrag, een datum, een tijdstip en de tegenrekeninghouder: PayPal, Singapore. Het heeft meerdere weken speurwerk gekost voordat we te weten kwamen dat de verdachte PayPal-betalingen via een kantoor in Singapore liet lopen en dat die uiteindelijk werden uitbetaald aan de beltegoedleverancier. De PSP die er tussenin zat, was door PayPal ingeschakeld om deze betalingen af te wikkelen voor de beltegoedleverancier. Als transacties analyseren niet je dagelijkse werk is, dan is het vrij lastig om dit alles te doorgronden. En het wekt de indruk dat criminelen tegenwoordig misbruik maken van de vrij ondoorzichtige wijze waarop dergelijke transacties worden verwerkt."
Wat hebben jullie in het PSP project gedaan?
Jaap Piersma: "Om te beginnen hebben we met hulp van het Anti Money Laundering Centre (AMLC) de mogelijke kwetsbaarheden van PSP’s voor witwassen in kaart gebracht. Door het volgen van geldstromen bij opsporingsonderzoeken kan wettelijk bewijs worden gevonden, maar kunnen ook de modus operandi van criminelen die PSP’s misbruiken in kaart worden gebracht. Tegelijkertijd hebben we verschillende opsporingsambtenaren bevraagd over hun kennis op het vlak van PSP’s. Vervolgens hebben we onze bevindingen ook met andere opsporingsdiensten in Europa gedeeld. Daaruit kwam niet alleen naar voren dat bij onze zusterorganisaties dezelfde problemen worden ervaren, maar ook dat er een duidelijk gebrek aan kennis en bewustzijn was onder opsporingsambtenaren over de risico’s van witwassen via PSP’s. We willen hierbij niet de schuld leggen bij de PSP’s: zij volgen namelijk de PSD-wetgeving en een aantal PSP’s toont bereidheid snel mee te werken aan verzoeken vanuit de opsporing. Het probleem zit hem meer in het feit dat er nu een mooie Europese betaalmarkt is, maar dat de mogelijkheden voor opsporing om zicht te houden op criminele geldstromen die lopen via deze Europese betaalmarkt beperkt zijn gebleven. Deze bevindingen hebben we onder de aandacht gebracht bij de ministeries die werken aan de PSD en opsporingswetgeving op dit vlak."
Wat heeft het project uiteindelijk opgeleverd?
Erik Reissenweber: "Het project heeft een stuk duidelijker beeld opgeleverd van de problematiek. Daarnaast heeft dit project ervoor gezorgd dat we nu bezig zijn met het doen van aanbevelingen voor het verbeteren van de Europese wetgeving die uiteindelijk moeten leiden tot meer transparantie. We willen namelijk allemaal voorkomen dat (internationale) netwerken van criminelen profiteren van lacunes in onze wetgeving waardoor het betalingssysteem kwetsbaar is en zij het kunnen misbruiken om weg te komen met criminele activiteiten zoals diefstal, fraude en oplichting."
Wat zijn de vervolgstappen?
Jaap Piersma: "We zien gelukkig dat ook andere partijen de risico’s beginnen in te zien. Het risico ten aanzien van witwassen via PSP’s wordt bijvoorbeeld beschreven in de recent uitgebrachte National Risk Assessment (NRA) en in de Financial Crime Threat Assessment for banks van de NVB. Ook zien we dat in de guidelines van de FATF (de Travel Rule Guidelines) aanbevelingen worden gedaan ten behoeve van de informatie die financiële instellingen meegeven bij transacties. Dat zou het traceren van criminele geldstromen vergemakkelijken. Als deze richtlijnen definitief worden, moeten alle toezichthouders deze vanaf 30 december 2024 in hun toezicht gaan toepassen. Hierdoor kunnen transacties hopelijk weer iets beter worden geduid."
Wie waren erbij betrokken?
Erik Reissenweber: "Bij het project waren veel experts (waaronder betalingsexperts en juristen) van organisaties als de FIU, het AMLC, de politie, de Belastingdienst, FIOD, DNB, ABN AMRO, Rabobank, ING, VBIN en EY.
Waarom is het belangrijk om samen te werken?
Jaap Piersma: "Het klinkt wellicht als een open deur, maar elke discipline en elke partij heeft een eigen informatiepositie. Bij de opsporingsdiensten beschikken we in beginsel niet of beperkt over informatie welke PSP nu precies welke betaaldienst levert. Je ziet bijvoorbeeld in de praktijk dat veel betaaldienstverleners hun eigen systemen en werkwijzen hebben. Daardoor is het als opsporingsambtenaar moeilijk om je onderzoek te beginnen. Meestal heb je namelijk alleen een bankrekeningnummer van een PSP tot je beschikking. Het onderzoeksproces wordt vergemakkelijkt als alle partijen de puzzelstukjes bij elkaar leggen en zich hard maken voor een veiliger en transparanter betalingsverkeer. Zo wordt het voor criminelen gelukkig weer een stukje lastiger."
Is het project geslaagd?
Erik Reissenweber: "Wij vinden van wel. We hebben het probleem op de kaart kunnen zetten en we hebben de stille hoop dat collega’s in de opsporing volgend jaar minder problemen zullen ervaren bij het volgen van de geldstromen waarbij PSP’s betrokken zijn. Het is wel verstandig om hierbij te vermelden dat de ontstane fragmentatie in het betaallandschap ons vermoedelijk wel parten zal blijven spelen: het blijft complexe materie. We hebben daarom met het AMLC en de Belgische politie casuïstiek uitgewerkt die voor opsporingsambtenaren handvatten kan bieden hoe om te gaan met PSP’s. Wat in ieder geval zeker duidelijk is, is dat samenwerken loont."
[1] De Financieel Expertise Centrum (FEC)-partners versterken hun (kennis)positie door samen te werken aan projecten die zowel concrete als operationeel bruikbare resultaten opleveren, en daarnaast gericht zijn op kennisontwikkeling. Voorbeelden hiervan zijn kennisdocumenten en indicatoren die gebruikt kunnen worden in de transactiemonitoring van poortwachters of barrièremodellen om criminele bedrijfsprocessen in kaart te brengen en te verstoren.